Mijn moeder lacht me vanaf een foto toe, elke keer als ik door de kamer loop. Ik kan van alles zien in die mooie lach. Een glimlach omdat de operatie zo goed is verlopen en mijn vader binnenkort weer thuis komt. Een lachje omdat ik er een rommeltje van maak en de asbakken niet afwas voor het slapen gaan. Gieren van het lachen – mijn vader noemde het altijd hysteria – omdat we nu eenmaal giga konden lachen samen. Of een melancholieke lach omdat ik nog zoveel pijn heb haar te moeten missen. Het is de bedoeling dat kinderen hun ouders overleven, maar niet als de ouder de vijftig nog niet eens goed in zicht had he..

Eigenlijk komt het niet door de foto. Diezelfde foto hangt bij mij thuis boven mijn buro en dan lacht ze gewoon haar lach van dat moment. Het is iets wat hier hangt, iets wat ze heeft achtergelaten. Bij mijn vader. Het is meegegaan met de verhuizing, ik kan haar hier nog steeds voelen. Kan het niet rijmen met al mijn nuchtere gedachten, maar zo voel ik het toch. Alsof ze nog een beetje bij hem is. En als ik hier ben dan tja, houdt ze natuurlijk wel een oogje in het zeil. Om te kijken of het allemaal wel goed gaat. En ik er geen zooi van maak, wat ik natuurlijk toch een beetje doe.

Misschien is het ontzettend wishful thinking, een mens kan heel wat aan gevoelens opwekken. Hoewel .. waarom heb ik het thuis dan niet? Ik wil haar ook wel eens op bezoek hoor! Mijn huis laten zien. Even praten. Maar dat kan ik alleen hier. En ik heb in Roosendaal heel veel wishful thinking geoefend wil ik wel bekennen.

Eigenlijk is een verklaring ook helemaal niet belangrijk. Wat of waarom het ook is, het is een fijn gevoel. Alleen, heel soms, een beetje eenzaam ook. Omdat ze er toch niet echt is.