Het is niet dat ik me niet red of dagen voor me uit staar. Het leven gaat altijd maar door en ik dus ook. Dat gaat vanzelf of in elk geval ervaar ik dat zo. En op zich klinkt dat ergens somberder dan het werkelijk gaat. Er wordt ook nog best gelachen en gedaan, gespeeld en gevreeën.

Maar zo langzamerhand begin ik me ergens wat wereldvreemd te voelen. Gedisassocieerd van mijn persoon bijna. In huilbuien vind ik mezelf even terug om daarna weer in een onzichtbare bol terug te vallen. Mijn omgeving complimenteert me met mijn coping gedrag en ziet mijn lachende zelf. Maar ik hoor het van ver, de bank plots wel zestien meter lang. Ik ben erbij, ik maak het mee maar ben ik het wel?

Positiviteit komt enkel voort uit automatisme: met een blik op oneindig hoor je uit te gaan van het goede in de toekomst. Hoewel ik het wel geloof, voel ik het niet. Het is realistisch gedacht zoals alles bedacht lijkt.

Ik denk me door het leven heen.