Er was eens een meisje in het Roosendaalse. Ze woonde leuk, had een fijne familie, een paar goede vrienden en heel fijn werk. Op een dag liep ze echter pfeifer op. Haar klieren zwollen op, ze hoeste en kuchte, moest door een flinke koorts en was moe, moe en moe. Niets aan de hand zult u denken, pfeifer is een testbare en zeer erkende ziekte tenslotte. Goed uitrusten en dan komt het wel weer goed.

Maar er was ook de wet Poortwachter. En die eist dat na zes weken de� arboarts zich ermee gaat bemoeien. En dat die arboarts een reintegratieplan moet schrijven.� Maar daar hebben arboartsen natuurlijk he-le-maal geen zin in. Dus trok de arboarts alles uit de kast om geen extra werk te hoeven doen. Hij maakte het meisje duidelijk dat hoewel pfeiffer vastgesteld is, hij niet kan zien hoe erg dat speelt. Suggereerde dat het meisje misschien wel gewoon geen zin had in werken. En stuurde meisje snel terug naar haar werk om in vier weken van twaalf uur naar veertig uur terug op te bouwen.

Meisje doet nu hard haar best om de eerste twaalf uur te halen. Maar dat gaat eigenlijk al niet zo goed. En het meisje moet om op haar� werk te komen heeeel lang autorijden. Wat de auteur van dit horrorsprookje behoorlijk griezelig vind omdat ze al eerder bijna aan de verkeerde kant een afslag afreed.

Nou staat meisje voor volgende week ineens alweer voor lange dagen ingedeeld. Want het gaat er niet om dat meisje beter wordt. Arboartsen en werkgevers hebben liever dat meisjes niet zeuren. Dan hoeven zij namelijk geen moeilijke plannen te schrijven. Wordt meisje maar niet beter …

Zelfs een pietsje lange termijndenken kan er niet meer vanaf tegenwoordig …