Month: February 2011

Er wordt aan gewerkt

Ergens in 2010 besloot ik dat ik maar eens gelukkig moest worden. Dat klinkt heel positief.  Maar zo was het eigenlijk niet. Eigenlijk was ik zo ontzettend bang dat ik letterlijk dood zou gaan aan stress, angst en verdriet – ik had mijn tweede hartaanval immers al achter de kiezen – dat ik meende elke nare, moeilijke, angstige of afschuwelijke gebeurtenis zo ver en hard mogelijk van me af moest gooien. De dood van mijn moeder, de overlijdens van andere familieleden, het verlies van gezondheid, de wetenschap dat het verlies van gezondheid niet nodig was geweest maar simpel te voorkomen als artsen me het geringste beetje serieus hadden genomen, afgekeurd raken voor de WAO, verlies van vriendschappen, medische behandelingen, jaren van financieel verdrinken en vooral, vooral de zeven moeilijke jaren met en voor mijn vader, zijn zelfverkozen dood 4 januari 2009 en alle hufters in de wereld die deze afschuwelijke gebeurtenis vermenigvuldigden met 100 keer erger. Het moest weg. Weg uit mijn gedachtes. Er niet meer aan denken zou de weg naar emotionele genezing zijn.

Korte tijd heb ik werkelijk geloofd dat het werkte. Natuurlijk had ik het nog wel eens over gebeurtenissen maar dan ook alleen dat, de gebeurtenissen. Alsof het eigenlijk niet over mij ging, gezien in een film die alleen toevallig raakvlakken had met mijn eigen leven, ontdaan van alle gevoelens die ik wellicht had en zelf toch al niet meer kon vinden. Proberend de vertelsels te eindigen met een glas halfvol, ongeacht of ik alleen opgedroogde watervlekken en stof zag. Goed, ik had wel woedeaanvallen en huilbuien, periodes van allesoverheersende somberheid, dagen waarvan ik niet wist hoe ik die door moest komen en ik sloot me steeds meer af van de buitenwereld. Maar allee, dat zag vast niemand en als ik mezelf maar bleef vertellen dat het echt wel goed ging en dat ik toch maar lekker gelukkig zat te worden, dan zou ik het vast ooit wel worden. Wat zeg ik, ik was er al bijna!

Enfin. U wist het wellicht al. Ik weet het nu in elk geval. Zo werkt het niet. Alles wat wordt verstopt, wordt ook weer gevonden.Dus nu in 2011 besluit ik opnieuw dat ik maar eens gelukkig moet worden. Alleen dan op een gezondere manier dan voorheen. Met oog voor mijzelf en een beetje hulp.

Mocht het hier wat stilletjes zijn, weet u waar ik mee bezig ben. Met mij.

Comments (10)



Maar je ziet er niet ziek uit: de lepeltheorie

Al zeventien jaar ben ik (onzichtbaar) ziek en ik moet bekennen, al zeventien jaar heb ik moeite met bepalen hoeveel of hoe weinig ik het daar met vrienden over zou moeten hebben. Er niets over vertellen is het makkelijkst en houdt de boel natuurlijk het gezelligst. Maar kent ook wat nadelen. Gebeurd er iets – ik val plots van mijn stoel of met de snorfiets bijvoorbeeld – schrikken mensen zich nodeloos (ik doe dat immers wel vaker) kapot.  Kan ik dingen niet aan of moet ik in periodes veel afspraken afzeggen, krijgen mensen de indruk dat ik geen leuke dingen wil doen, word ik na verloop van tijd niet meer uitgenodigd of raak ik verdacht van extreme lui- en saaiheid. Voor mij is helemaal niets vertellen ook wat vreemd. Ziek zijn heeft grote invloed op het leven, is zelfs gewoon onderdeel van mij. Er helemaal niet over praten is bijna ontkennen van mijn zijn. Enfin, alles bij elkaar genomen niet leuk voor vrienden en niet leuk voor mij.

Dus zou ik vrienden er makkelijk en veel over kunnen vertellen. Dan weet iedereen waar men aan toe is, hoeft niemand zich gekwetst te voelen, hoef ik niet aan de zelf ontkenning en geraak ik ook geen wandelend schuldgevoel of geïsoleerd wezen. Dat lijkt echter ook geen goede oplossing. Veel vertellen over ziekte maakt zelden populair, doorgaans is het juist een prima manier om in een klap van al je vrienden af te komen. Ziek=negatief=niet over hebben. En tja, al is het onderdeel van mijn leven, voor mezelf is het ook weer niet altijd het leukste gespreksonderwerp wat ik kan bedenken.

Onlangs ben ik dus maar eens bij een een overwegend gezonde vriendin gaan informeren wat wijsheid was. Zij was van mening dat uitleggen wat ziekte voor mij inhoud, zou resulteren in het verkrijgen van een slachtofferrol die ik zelf vervelend zou vinden en niet bij me past. Al ben ik het daar eigenlijk niet helemaal mee eens – de weg van begrip en sympathie naar medelijden en de slachtofferrol is hoop ik langer dan dat – als mijn gezonde medemens het zo ziet dan is dat een weinig prettig resultaat.  Nog belangrijker zei ze me dat ik nog zoveel zou kunnen vertellen over mijn ziek zijn, maar dat een gezond mens toch niet (volledig) zal begrijpen hoe het werkelijk is om ziek te zijn.

Hmz

Daar zit vast en zeker een heleboel waarheid in. Hoewel. Een tijd terug las ik “But you don’t look sick, the spoontheory”. Een verhaal geschreven door iemand met een auto-imuunziekte (Lupus) om uit te leggen hoe het is om chronisch ziek te zijn. Dusdanig van toepassing op elke chronisch zieke, dat het inmiddels in een stuk of wat vertalingen te vinden is. Dusdanig van toepassing op mijzelf, dat ik het de moeite waard vind om het eens hier te plaatsen.

Bij deze, ik ben benieuwd wat u er van vindt.

“Mijn beste vriendin en ik zaten te kletsen in een cafetaria. We aten patat met saus en zoals gewoonlijk was het al erg laat en. We brachten tijdens onze studie veel tijd door in cafetaria, zoals de meeste meiden van onze leeftijd. Meestal werd er dan gepraat over jongens, muziek of gewone dagelijkse dingen die op dat moment heel belangrijk leken. We waren nooit echt serieus over wat dan ook en zaten meestal te giechelen.

Toen ik enkele van mijn medicijnen innam, samen met een snack zoals ik gewoonlijk deed, keek ze me dit keer aan met een bepaalde blik in haar ogen in plaats van door te kletsen. Toen vroeg ze me opeens, zonder aanleiding, hoe het voelde om Lupus te hebben en ziek te zijn. Ik was geshockeerd. Niet alleen omdat ze zomaar lukraak met die vraag kwam, maar ook omdat ik altijd had aangenomen dat ze alles wist wat er te weten viel over Lupus. Ze was met me mee geweest naar artsen, had me zien lopen met een wandelstok en zien overgeven in de WC. Ze had me zien huilen van de pijn: wat was er nog meer om te weten? Ik begon te ratelen over pillen, gevoeligheden en pijn, maar ze bleef volhouden en leek niet tevreden met mijn antwoorden. Ik was enigszins verrast omdat ze als mijn kamer– en studiegenoot en na een jarenlange vriendschap, alles al wist over de medische kant van Lupus. Toen keek ze me aan met de uitdrukking die elke zieke goed kent. De uitdrukking van pure nieuwsgierigheid naar iets dat iemand die gezond is niet echt kan bevatten. Ze vroeg hoe het voelde, niet lichamelijk, maar hoe het voelde om mij te zijn, om ziek te
zijn. Terwijl ik mijn kalmte weer probeerde te hervinden keek ik rond op de tafel naar iets dat me kon helpen, of in ieder geval iets om tijd te rekken en na te kunnen denken. Ik probeerde de juiste woorden te vinden.

Hoe beantwoord je een vraag waar je voor jezelf nooit een antwoord op hebt kunnen vinden? Hoe leg je tot in detail uit hoe elke dag beïnvloed wordt door je ziekte? En hoe geef je het duidelijkst de emoties weer waar een ziek iemand mee worstelt? Ik had het op kunnen geven, er een grap over kunnen maken zoals ik normaal gesproken zou doen en van onderwerp veranderen, maar ik herinner me dat ik dacht: als ik het niet probeer uit te leggen, hoe kan ik dan ooit van haar verwachten dat ze het begrijpt? Als ik het niet aan mijn beste vriendin uit kan leggen, hoe zou ik dan ooit mijn belevingswereld aan iemand anders kunnen uitleggen? Ik zou het op zijn minst moeten proberen.

Op dat moment werd de “lepeltheorie” geboren. Ik pakte snel alle lepels van de tafel; sterker nog, ik pakte zelfs lepels van de andere tafels. Ik keek mijn vriendin recht in de ogen en zei: “Alsjeblieft, je hebt Lupus”. Ze keek me enigszins verbaasd aan, zoals iedereen zou doen als je ineens een waaier van lepels overhandigd krijgt. De koude metalen lepels rinkelden in mijn handen terwijl ik ze bij elkaar schoof en in haar handen duwde.

Ik legde uit dat het moeten maken van keuzes en het bewust moeten nadenken bij dingen waar de rest van de wereld dat niet hoeft, het verschil is tussen ziek en gezond zijn. Gezonde mensen hebben de luxe om te kunnen kiezen, een gift die de meeste mensen als vanzelfsprekend beschouwen. De meeste mensen beginnen de dag met een onbeperkte hoeveelheid mogelijkheden en energie om te doen waar ze zin in hebben, met name de jongeren. Over het algemeen hoeven ze zich geen zorgen te maken over de gevolgen van wat ze doen. Dus gebruikte ik lepels om dit punt duidelijk te maken. Ik had gezocht naar iets dat ze echt kon vasthouden en dat ik dan vervolgens af kon pakken omdat de meeste mensen die ziek zijn of worden een gevoel van verlies ervaren met betrekking tot het leven dat ze tot dan toe kenden. Als ik bij machte was om de lepels af te pakken zou ze weten hoe het voelt als iemand of iets, en in dit geval Lupus, die macht heeft.

Mijn vriendin pakte de lepels enthousiast vast. Ze had geen idee waar ik mee bezig was, maar was altijd in voor een geintje en ik vermoed dat ze dacht dat ik weer een soort grap maakte, zoals ik normaal gesproken zou doen als we praten over gevoelige onderwerpen. Ze had er nog geen idee van hoe serieus ik zou worden…

Ik vroeg haar om haar lepels te tellen. Toen ze vroeg waarom zei ik haar dat je, als je gezond bent, er van uit gaat dat je een oneindige hoeveelheid “lepels” tot je beschikking hebt. Maar wanneer je ineens je dagen zorgvuldig moet plannen moet je precies weten hoeveel “lepels” je hebt om van uit te gaan. Het is geen garantie dat je niet nog wat lepels onderweg verliest, maar het helpt in ieder geval om te weten waar je vanuit
kan gaan. Ze telde: 12 lepels. Ze lachte en zei dat ze er meer wilde. Ik zei nee en wist meteen toen ze teleurgesteld reageerde dat dit kleine spel zou werken. En we waren nog niet eens begonnen! Ik wil al jaren lang meer “lepels” en heb nog steeds geen manier gevonden om er meer te krijgen, dus waarom zou zij ze wel krijgen? Ik vertelde haar ook dat ze zich altijd bewust moest zijn van het aantal lepels dat ze nog had en dat ze de lepels ook niet mocht laten vallen, want ze mocht niet vergeten dat ze nu Lupus heeft en dus spaarzaam met de lepels om moet gaan.

Ik vroeg haar naar haar lijst van activiteiten voor die dag, inclusief de allereenvoudigste. Terwijl ze haar dagelijkse taken en leuke dingen die ze te doen had afratelde legde ik uit hoe elk van deze bezigheden haar een lepel zou kosten. Toen ze meteen over het op weg gaan naar haar werk begon, onderbrak ik haar en pakte een lepel af. Ik vloog haar zowat aan. Ik zei: “Nee! Je staat niet zomaar op! Je moet je ogen openen en tot de
ontdekking komen dat je te laat bent. Je hebt die nacht niet goed geslapen. Je moet uit bed kruipen en dan moet je voor jezelf iets te eten maken voordat je iets anders kan doen, want als je dat niet doet, kun je de medicijnen niet innemen en als je die medicijnen niet inneemt kun je net zo goed al je lepels voor die dag, en voor de volgende, opgeven!” Ik pakte snel een lepel af en ze realiseerde zich dat ze nog niet eens aangekleed
was. Douchen kostte een lepel, alleen maar voor het wassen van haar haren en het scheren van haar benen. In werkelijkheid zou dat wassen en scheren zo vroeg in de dag wel eens meer kunnen kosten dan die ene lepel, maar ik liet het maar gaan. Ik wilde haar niet meteen bang maken. Aankleden kostte weer een lepel.

Ik hield haar even tegen en bracht elke kleine stap in het proces ter sprake om haar te laten zien hoe elk klein detail doordacht moet worden. Je trekt niet zomaar wat kleren aan als je ziek bent. Ik legde uit dat ik moet bekijken wat voor kleren ik daadwerkelijk kan dragen: Als mijn handen zeer doen zijn knopen uit den boze. Als ik blauwe plekken heb moet ik iets met lange mouwen dragen, als ik koorts heb moet ik een warme trui aan en ga zo maar door. Als mijn haar uitvalt heb ik meer tijd nodig om er presentabel uit te zien. En dan moet je er ook nog 5 minuten bij tellen die je nodig hebt om je boos of verdrietig te voelen omdat dit alles 2 uur heeft moeten duren.

Ik denk dat ze het door begon te krijgen toen ze theoretisch nog niet eens onderweg naar haar werk was en nog maar 6 lepels over had. Op dat moment legde ik haar uit dat ze de rest van haar dag zeer zorgvuldig moest kiezen, want als je lepels weg zijn, zijn ze ook echt weg. Soms kun je een paar lepels van de volgende dag lenen, maar besef dan hoeveel moeilijker morgen zal zijn als je al begint met minder lepels! Ik moest ook
uitleggen dat iemand die ziek is altijd leeft met de dreigende gedachte dat morgen de dag kan zijn waarop je een kou vat, een ontsteking oploopt of wat dan ook dat voor jou heel gevaarlijk kan zijn. Dus je wilt de lepels niet zo verbruiken dat ze schaars worden, omdat je nooit zeker weet wanneer je ze echt nodig hebt. Ik wilde haar niet ontmoedigen, maar ik moest realistisch zijn en jammer genoeg is voorbereid zijn op het ergste een onderdeel van een normale dag voor mij. We namen de rest van de dag door en langzaam aan leerde ze dat het overslaan van een lunch haar een lepel zou kosten, net als een staanplaats in de trein, of zelfs te lang doorwerken op haar computer. Ze was gedwongen om keuzes te maken en op een andere manier over dingen na te denken. Theoretisch moest ze zelfs de keuze maken om maar geen boodschappen te doen, zodat ze die avond in ieder geval nog kon eten.

Toen we aan het einde kwamen van haar doe-alsof-je-Lupus-hebt-dag, zei ze dat ze honger had. Ik hield haar voor dat ze moest eten, maar nog slechts 1 lepel had. Als ze zelf zou koken zou ze niet meer voldoende energie hebben om de vaat te doen. Als ze uit eten zou gaan zou ze te vermoeid kunnen zijn om veilig naar huis te rijden. Toen legde ik ook nog uit dat ik niet de moeite had genomen om in dit spel te verwerken
dat ze zo misselijk zou zijn dat koken waarschijnlijk toch uit den boze was. Dus besloot ze soep te maken; dat was gemakkelijk. Toen zei ik dat het pas 7 uur was. Je hebt de hele avond misschien nog maar 1 lepel over. Je kunt daarmee iets leuks gaan doen, je kamer schoonmaken of wat andere dagelijkse dingen, maar je kunt het niet allemaal doen.

Ik heb haar zelden emotioneel zien worden, dus toen ik zag dat ze aangeslagen en ontdaan was wist ik dat ik waarschijnlijk tot haar door was gedrongen. Ik wilde natuurlijk niet dat ze ontdaan zou zijn, maar tegelijkertijd deed het me goed dat eindelijk iemand me een klein beetje begreep. Ze had tranen in haar ogen en vroeg zachtjes: “Christine, hoe doe je het? Moet je dit werkelijk elke dag zo doen?” Ik legde haar uit dat de ene dag de andere niet was en dat sommige dagen erger waren dan andere: op sommige dagen heb ik ook meer “lepels” dan op andere. Maar ik kan het nooit achter me laten en nooit vergeten, ik moet er altijd bij nadenken. Ik gaf haar een lepel die ik stiekem achter de hand had gehouden. Ik zei eenvoudigweg: “Ik heb leren leven met een extra lepel op zak, als reserve. Je moet altijd voorbereid zijn.”

Het is moeilijk. Het aller moeilijkste dat ik ooit heb moeten leren is het langzamer aan moeten doen en niet alles te willen doen. Hier vecht ik tegen, elke dag weer. Ik haat het gevoel buitengesloten te zijn, de keuze te moeten maken tussen thuis blijven of niet de dingen te doen die ik had willen doen. Ik wilde dat ook zij die frustratie zou voelen. Ik wilde dat ze het zou begrijpen. Dat alles wat iedereen doet zo vanzelf lijkt te gaan, maar voor mij zijn het 100 kleine taken in één. Ik moet stilstaan bij het weer, mijn temperatuur die dag en alle plannen voor die dag, voor ik ook maar iets kan gaan doen. Terwijl andere mensen gewoonweg dingen kunnen doen, moet ik erbij stilstaan en plannen alsof ik een strategie ontwikkel voor een oorlog. Het verschil tussen ziek of gezond zijn zit hem in de levenshouding. Het is de wonderbaarlijke vrijheid om niet na te hoeven denken, maar gewoon te doen. Ik mis die vrijheid. Ik mis de vrijheid om nooit meer “lepels” te hoeven tellen…

Hierna waren we even emotioneel en praatten er nog even over door. Ik voelde dat ze verdrietig was. Misschien had ze het eindelijk door. Misschien realiseerde zij zich ook dat ze nooit echt en eerlijk zou kunnen zeggen dat ze het begrijpt. Maar nu zou ze tenminste niet meer zo klagen wanneer ik weer eens een avond niet mee uit eten kan, of wanneer ik nooit eens bij haar langs lijk te komen en zij altijd bij mij langs moet komen. Ik gaf haar een knuffel toen we het cafetaria uitliepen. Ik had de ene lepel nog in mijn hand en zei: “Maak je geen zorgen. Ik zie het als een zegening. Ik ben verplicht om over alles wat ik doe na te denken. Weet je hoeveel lepels mensen dagelijks verspillen? Voor mij geen verspilde tijd, of verspilde “lepels”, ik kies er voor om mijn tijd met jou door te brengen.”

Elke keer sinds die avond heb ik de lepeltheorie gebruikt om mijn leven uit te leggen aan andere mensen. Mijn familie en vrienden refereren zelfs vaak aan de “lepels”. Het is een codewoord geworden voor wat ik wel en niet kan. Als mensen de lepeltheorie begrijpen lijkt het of ze mijbeter begrijpen, maar ik stel me voor dat ze ook hun eigen leven ook een beetje anders beleven. Ik denk dat het niet alleen bruikbaar is om Lupus te begrijpen, maar voor iedereen met een beperking of een ziekte. Hopelijk zien ze nu niet meer zo veel van hun normale leven als vanzelfsprekend.

Ik geef zowel letterlijk als figuurlijk een stukje van mezelf als ik iets doe. Het is een onderons grapje geworden. Ik sta er bekend om dat ik grappend tegen mensen zeg dat ze zich speciaal mogen voelen als ik tijd met ze doorbreng, omdat ze één van mijn lepels bezitten.”

Comments (19)



Is CiNNeR een ouwbollige theemuts?

Wij hebben een jong hondje. Een jong hondje wat best al veel geleerd heeft maar nog best wat te leren over heeft, in de pubertijd zit en soms eens de nodige vergissing maakt. Zoals plotseling een fietspad oprennen, want dat doen hondjes nu eenmaal. Op mijn beurt doe ik op zo’n moment alles wat mogelijk is om hem zo snel als gaat weer op de stoep te krijgen. Tot mijn verbazing is er echter nog geen fietser of bromfietser geweest die ook maar de geringste neiging vertoonde af te remmen. Men rijdt gewoon zo hard mogelijk door alsof men verwacht dat de hond vanzelf wel in ijle lucht zal oplossen. Als zo’n fietser of snorfietser al reageert, is het hooguit – zonder vaart te minderen natuurlijk – het hoofd keren om me even grondig uit te schelden. Dat het niet tot ongelukken is gekomen, is puur mazzel ende geluk.

Persoonlijk begrijp ik niet waar dat gedrag vandaan komt. Als ik een hond het fietspad op zie rennen waar ik toevallig rij, voel ik nooit de neiging er over heen te willen rijden maar rem zo snel mogelijk af en/of maak een omtrekkende beweging. Sterker, als ik langs een stoep rij waar kleine kindertjes of hondjes rondhuppelen, ga ik als vanzelf alvast langzamer rijden. Gewoon, voor het geval dat.

Is dit maar een lullig voorbeeldje en zo vaak vindt het niet plaats. Maar Nederland hangt tegenwoordig aan elkaar vast van dit soort flauwe reacties en kleine onbeschoftheden. Had je vroeger de ongeschreven regel dat je iedereen naar buiten laat, voor je zelf naar binnen stapt, is het tegenwoordig mode om met behulp van ellebogen en boodschappentassen te proberen met zestien tegelijk zowel naar binnen als naar buiten te dringen. Mensen zetten hun fietsen lukraak tegen andere fietsen aan zodat minstens de helft van de mensen niet normaal meer weg kan komen. Voetgangers lijken steeds vaker van een psychologisch spelletje te houden, kijken wie er uit gaat wijken als de stoep te klein is om elkaar te kunnen passeren. Springt het licht op groen, let je natuurlijk niet meer op of er nog iemand op het zebrapad kachelt maar trap je onmiddelijk op GAS! En hoeveel mensen nemen bij het afrekenen hun telefoon op, alsof de kassa medewerkster volslagen onbelangrijk is?

Zou de maatschappij niet een stukje gezelliger worden als mensen alleen al wat aandacht zouden hebben voor dit soort simpele omgangsvormen en piepkleine vriendelijkheden? Of ben ik een ouwbollige theemuts aan het worden?

Comments (10)



Herinnering aan Opa Buiswater

Opa Buiswater leerde ik kennen als sociaal bewogen, politiek geëngageerde, sympathieke weblogger met veel humor. Later mocht ik ervaren dat zijn betrokkenheid niet alleen bij woorden op het internet bleef. In de moeilijkste periode van mijn leven op een moment dat ik het allemaal niet meer wist, stapte hij even mijn leven binnen en hielp mij en mijn familie op weg. Een weg die ons enorm veel gebracht heeft, praktisch maar nog veel meer emotioneel. Zo werd een anonieme weblogger iemand die een plekje in mijn hart veroverde.

Acht maanden geleden verscheen een afscheid op zijn log. Hoe hij het deed, deed hij het: hij vertelde dat hij kanker had en zou overlijden maar wist er nog een leuk, bijna grappig log van te breien. Ik las het pas enkele maanden later en al kenden we elkaar feitelijk nog steeds niet goed, kon ik wel janken. Wist niet eens of hij nog wel leefde. Tegen alle ongeschreven regels van de jolige sfeer in, gaf ik mijn eerlijke reactie in de hoop dat hij het nog zou kunnen lezen.

Gelukkig was hij er nog, stuurde hij daarna af en toe nog een teken van leven en bleek hij zich relatief goed te voelen. In december ontving ik nog een leuke mail en was hij – dus ik ook – overtuigd dat hij een paar fijne maanden aan zijn leven kon plakken. Dat heeft helaas niet zo lang verder mogen duren. Vanavond las ik de In memoriam Opa Buiswater. Hij is 29 januari jongstleden op 58 jarige leeftijd overleden.

Ja Opa, dat had jij een stuk leuker beschreven. Maar je weet, ik ben nu eenmaal niet zo goed met de dood. Rust zacht lieverd of wie weet, geniet je nu ergens anders...

Comments (4)



Liever emigreren

Steeds meer mensen verlaten Nederland uit ontevredenheid. Dagelijks verhuizen 305 Nederlanders naar het buitenland. (…) De verwachting is dat het cijfer van 305 in de toekomst toeneemt tot 357 per dag. (Bron)

Gek is dat. In een land waar amper demonstranten op de been te krijgen zijn voor of tegen welk doel dan ook, nemen tussen de 111.000 en 130.000 personen uit onvrede wél de moeite om te emigreren.

Comments (11)



Tanden en kiezen

Nog aan het bijkomen van de wortelkanaalbehandeling van afgelopen dinsdag (rechtsonder), brak er gisteren (linksonder) een verouderde en flinke vulling uit een kies. Gelukkig sinds zeer kort aangesloten bij een nieuwe en fijne (angst)tandarts die helaas vandaag dan weer niet op zijn praktijk te vinden was. Maandag half elf hoor ik hopelijk dat de kies behouden kan, het liefst door even ende simpel een nieuwe vulling te plaatsen. Maar ik vrees een beetje dat het zo makkelijk niet gaat worden.

Tot die tijd moet ik voorzichtig eten voor zowel de nood vulling rechts als het gapende gat links in mijn kiezen. Dat valt lichtelijk tegen…

Sowieso altijd vervelend hoe je zonder ergens last van te hebben in de tandartsstoel komt en met naweeën er weer weg gaat. Met de nieuwe ‘witte’ vullingen die krimpen, uitzetten, vocht opnemen en weet ik wat meer, schijnt dat heel normaal te zijn.

Update: Ha gezellig. Er was geen tijd om iets aan de uitgebroken vulling te doen, die komt over anderhalve week pas. Wel moest het afronden van de wortelkanaalbehandeling teruggeschoven worden naar eerder, dat moet aanstaande vrijdag plaats vinden. In plaats van gewoon de noodvulling vervangen voor de uiteindelijke vulling, wordt het nogmaals schoongemaakt en gedaan. En alsof dat nog niet jammerlijk genoeg is voor wat bedoeld was als een simpele, preventieve (!) wortelkanaal behandeling, brak daar vanmiddag een laagje kies af en begint inmiddels de noodvulling te brokkelen en te scheuren. Maar geen pijn (duh, de zenuwbanen zijn verwijderd) betekent het wachten op vrijdag. Tenzij de kies helemaal zou breken. Mag toch hopen dat dat niet ook nog gebeurd …

Comments (6)



Hondenpoep en hoe het niet moet

Wij wonen in een overwegend groene wijk vol groenstroken, bermen en grasveldjes. Wij wonen ook in een wijk waar veel mensen denken dat al dat groen bedoeld is als afvalbak. Stukken lunch, hele avondmaaltijden (over het balkon), gebruikte koffiefilters, allerhande lege verpakkingen, gebroken glas, stukken metaal, versplinterd hout, stukken textiel en soms zelfs kapotte kerstballen, een verdwaalde stofzuiger of half gesloopte kast, het is allemaal vertegenwoordigd op ons groen. Samen met het feit dat we hondenbelasting betalen, is dat voor ons reden genoeg om geen hondenpoep van grasveldjes op te ruimen. Let wel, ‘we’ poepen niet op de stoep, in tuinen, op groenstroken die aan achterdeuren grenzen en ook speelweides en voetbalvelden worden met rust gelaten.

Soms wordt ik hier op aangesproken en/of wensen mensen met mij daar een discussie over aan te gaan. Dat mag natuurlijk, we denken niet allemaal hetzelfde. Frappant is alleen hoe mensen mij daar op aanspreken. Zo start men de conversatie graag luidruchtig, op onbeschofte toon en is de eerste zin negen van de tien keer doorspekt met scheldwoorden. Sommige mensen houden liever een veilige afstand en gillen dus hun verwensingen en bedreigingen drie deuren verderop vanaf het balkon mijn kant op. Is er dan ruimte voor hoor en wederhoor, wordt het nog mooier. Blijkbaar is het moeilijk om te zeggen dat men iets gewoon vervelend vindt, dus wordt er doorgaans gegrepen naar een flinke leugen. Meest gehoorde is die van mensen zonder thuiswonende kinderen, die krijsen dat hun kinderen dagelijks op betreffende veldje spelen en onder de hondenpoep thuis komen. Meest absurde is de evenzo veel voorkomende ‘als de gemeente het gras maait, spat bij mij de hondenpoep tegen de ramen’. Merken mensen vervolgens dat al dat loze geschreeuw en gekrijs niets gaat uithalen, is het einde van het ‘gesprek’ doorgaans net zo onbeschoft als de start. Terwijl ik nog aan het praten ben, gooien mensen al dan niet scheldend de deur dicht.  Blijkbaar schenkt dat nog in enige mate een gevoel van overwinning na deze hopeloze missie.

Zult u denken dat de schreeuwlelijkerd dezelfde is als de toch al asociale, vervuilende buurtbewoner. Maar niets is minder waar. Doorgaans gaat het om de net geklede, middelbare vrouw die oogt alsof ze weet hoe het hoort.

Het zal ongetwijfeld aan mij liggen, misschien ben ik gewoon wat ouderwets ende achterhaald. Maar wat is het toch dat mensen denken dat zij gewenst gedrag kunnen afdwingen door totaal asociaal door het lint te gaan?

Comments (4)



Powered by WordPress & theme based on Lovecraft