Dirk in de zonnebloemolie

Ja ik wilde enthousiast het schrijven hier gaan oppakken. Liefst elke dag wat plaatsen of in elk geval enige keren in de week. Alleen stak onze rode jeweetwel kater Dirk hier de eerste dagen een glibberig stokje voor.

Watskegebeurd? Mijnheer Dirk kreeg het voor elkaar om op de steel van de hapjespan met twee liter zonnebloemolie te gaan staan waardoor hij met pan en al van het gasfornuis viel en alles inclusief hijzelf baadde in de olie. Hij schrok zich een ongeluk dus rende in doodsnood en geoliede pootjes – natuurlijk – door het hele huis heen. Daar lag ineens heel, heel veel schoonmaakwerk voor iemand met een spierziekte. Binnensmonds alles vervloekend ging ik aan de slag.

Om geen toiletpapier te verbruiken – we hebben niet gehamsterd en ik had begrepen dat de schappen nog niet erg aangevuld waren – ben ik aan de slag gegaan met absorberende doekjes en bijna een hele fles schoonmaakmiddel. Na drie uur was ik volkomen gesloopt maar alles was schoon en zelfs de kat had ik enigszins op kunnen knappen. En gerust kunnen stellen dat we hem nog steeds heel lief vonden en er geen eng olie gooiend monster in de keuken op hem stond te wachten. Bekenden op Facebook gaven me complimenten dat ik alle olie weg had gekregen en zelf was ik stiekem ook wel apetrots eigenlijk.

Helaas bleek al snel dat het besparen op toiletpapier een domme zet was geweest. Of het feit dat ik er niet aan gedacht had na al het schoonmaken nog een gloeiend heet soda bad door de afvoer te jassen. Enige uren later wilde ik voor de zoveelste keer mijn handen wassen sloeg de keukenafvoer pot- en potdicht. Na allerlei wanhopige pogingen dit zelf op te lossen, konden we de volgende dag niet anders dan een ontstoppingsbedrijf bellen. Stress want kwetsbaar dus zelf quarantaine dus niemand binnen willen hebben.

Nu hebben we door rioleringsproblemen op gemeentegrond elk jaar rond deze tijd een verstopping en die zit altijd in de hoofdbuis. Die vanaf buiten doorgespoeld en schoongemaakt kan worden. Ik beschouwde het maar als een geluk bij een ongeluk, in principe hoefden we niemand binnen te laten. Het ontstoppingsbedrijf kon alleen pas de volgende dag komen en ik trek het niet om dertig keer de trap op te lopen naar de badcel kraan om handen te wassen. Dus werd het een dagje handen wassen boven ene emmer om die naar het toilet te dragen en leeg te kieperen. Met de spierpijn van de vorige dag erbij kon ik tegen de avond bijna niet meer lopen van de pijn maar allee, de volgende dag zou het opgelost zijn. En er zijn ergere dingen.

Dag drie stond een vriendelijke mijnheer van het ontstoppingsbedrijf voor de deur. Hij reinigde vanaf buiten de hoofdrioolbuis en … de afvoer bleef verstopt. Woeaaah! Acht keer was het de hoofdbuis geweest maar nu we niemand binnen durfden te laten, zat de verstopping deze negende keer onder de keuken. Waar je alleen van binnenshuis bij kan komen. De mijnheer – die zelf ook liever niet naar binnen wilde – had gelukkig een voorstel. We konden zijn waterstofzuiger naar binnen zeulen en met zijn instructies de verstopping toch zelf oplossen. Het was nog wat gedoe maar tee dee hee, het werkte! De rekening kon deze keer via de mail en zo hadden we allemaal flink afstand kunnen houden.

Toch was ik wat onzeker. Zo’n stofzuiger is nogal een smerig ding en is in allerlei andere huishoudens geweest. En in de stress vroeg ik me ineens af of er geen virusdeeltjes in de luchtuitstoot van de stofzuiger konden zitten. Niet waarschijnlijk maar toch. Het was niet anders. Wilde ik niet de komende dagen wakker liggen hiervan, moest ik de gehele keuken nog maar eens schoon maken. Ondertussen kotste Dirk voor de tweede keer in de woonkamer, van zoveel olie uit je vacht wordt je vast flink misselijk. De hond had hem ook een wasbeurt gegeven en sloeg in mineur een dagje eten over. Het kon er nog wel bij nu ik toch bezig was.

Enfin, nogal overdreven heb ik niet alleen de gehele keuken, gang en schuur met overmatig veel sop schoon geboend maar ook alle borden, koppen, bekers etcetera uit de kasten gevist en alles in etappes staan afwassen. Waarschijnlijk is het volkomen onzinnig en onnodig en heb ik mezelf voor niets compleet overbelast maar hee, een gerust gesteld gevoel is ook veel waard. En ik moet zeggen, het ziet er prachtig uit.

CiNNeR en Delayed Sleep Phase Syndrom

Het begon op mijn negentiende. De laatste week van september 1991 om precies te zijn. Van de een op de andere dag lag ik ’s nachts uren wakker en viel ik ’s ochtends overal en nergens in slaap. Als ik al wakker was geworden van drie verschillende wekkers en een schreeuwende kat, dat is. Na enkele maanden kwam ik erachter dat er een vast ritme in zat. Ongeacht hoe laat ik naar bed ging, viel ik rond drie uur in de nacht in slaap. En hoeveel of weinig ik ook geslapen had, na een uur of tien ’s ochtends werd ik normaal wakker. Het jaar erna raakte een arts geïnteresseerd die me een hoop apparatuur om sjorde om een dag en een nacht mee te slapen. Hij vertelde me dat ik delayed sleep phase syndrom (dsps) had, mijn bioritme lag verder de nacht in dan de maatschappij prettig vindt. Een dingetje in de hersenen en na wat wanhoopspogingen er wat aan te veranderen was de conclusie: niets aan te doen.

Nu was dsps een weinig bekende term, niemand nam het erg serieus en ik had ook niet het gevoel dat ik er iets aan had. Ik moest immers naar college, naar mijn werk en andere dingen doen die mensen ’s ochtends doen dus bleef ik in de avond en nacht uren wakker liggen, viel ’s ochtends nog steeds overal en nergens in slaap en wandelde de rest van de dag door slaapgebrek als een zombie rond.

In 1999 belande ik bij een internist. Daar kwam ik niet voor slaap problemen maar nadat hij me enkele keren met veel kabaal, geduw en getrek wakker had moeten zien te krijgen in de wachtkamer, raakte hij er in wel in geïnteresseerd. Hij vroeg me waarom ik in hemelsnaam stug bleef proberen een maatschappelijk aanvaardbaar ritme te verkrijgen. Eerlijk gezegd zat ik met mijn bek vol tanden. Ik had eigenlijk geen idee waarom ik dat deed, behalve dat anderen nu eenmaal vinden dat je vroeg op moet staan. De internist vond het een belabberde reden. Bovendien waarschuwde hij me dat ik met chronisch slaapgebrek alleen maar zieker zou worden en de kans op ongelukken door slaapgebrek aan het vergroten was. Dat klonk me zinnig in de oren. Na nog een maandje worstelen besloot ik zijn advies te harte te nemen.

Ergens in 2002 – achteraf gezien een periode met alleen nog stress en overbelasting – verschoof mijn ritme nog wat verder. Drie uur ‘s nachts in slaap vallen werd vijf uur ’s nachts, voor twaalf uur in de ochtend was ik niet wakker te krijgen. Daarna wel, mits ik wel een goede wekker had staan. Zonder lawaai sliep ik rustig tot zes uur ’s middags en ik vond het wel erg genoeg om mijn ochtenden kwijt te zijn. De verschuiving was wel wat vervelend, uitslapen hoorde niet meer tot de mogelijkheden maar alles went en dit wende dus ook vrij snel. Ik stevende bovendien af op volledige arbeidsongeschiktheid. Dat vond ik afschuwelijk maar het had een klein voordeel, het maakt wat makkelijker een afwijkend ritme aan te houden.

Uiteindelijk heeft een post traumatische stress stoornis mijn ritme verder verknalt, althans ik vermoed dat mijn psychische toestand een grote rol heeft gespeeld. Met horten en stoten is mijn ritme verschoven naar zeven uur ’s ochtends met regelmatig uitschieters dat ik pas ergens rond tien of elf uur in de ochtend eens in slaap val. Ik probeer al enkele jaren om voor een uur in de middag wakker te worden zodat niet de hele middag vergaat maar in periodes heb ik zo weinig slaap dat ik geen wekker meer hoor en blij mag zijn als ik om half drie uit bed strompel. Dat is kut. Ineens heb ik stress over afspraken, ik kan toch niet met goed fatsoen aan het ziekenhuis melden dat ik me verslapen heb voor een afspraak om drie uur ’s middags? Met vrienden afspreken komt al helemaal niets van terecht. Na opstaan, douchen, aankleden, de hond uitlaten en dan misschien nog een boodschapje doen, zit Nederland al aan het avondeten.

Om de zoveel tijd ben ik bovendien zo uitgeput, dat ik een korte periode in de nacht kan slapen. Dan blijf ik de ochtend brak en vermoeid maar altijd probeer ik het vast te houden. Je weet nooit, misschien is dit de keer dat ik ‘normaal’ word. En eigenlijk vind ik het heerlijk om de hele dag zonlicht te kunnen ervaren. Tot nog toe is het alleen nooit gelukt. Het lijkt alsof ik binnen een week genoeg slaap heb ingehaald waarna mijn hersenen terug keren naar het oude vertrouwde en compleet waardeloze ritme van nachtmens zijn.

Maar goed, ik ben nu eenmaal erg eigenwijs. Dit is de tweede dag dat ik ’s nachts heb geslapen en op tijd wakker was om mijn man naar zijn werk te zien gaan. Ik heb de hond al een keer uitgelaten, wat onkruid staan trekken tot het nest hommels bij de schuur wakker werd, heb afgewassen en dit stuk getikt. Ik voel me bepaald niet geweldig en zit me rot te gapen maar hee, misschien gaat dit hem worden …

Een droom zonder bedrog

Normaal als ik droom, kan ik alles. Ik spring en dans, ren door velden en de trap op, stap zonning op de fiets. Varen op woeste golven, een potje amateuristisch korfbal of proberen zo hoog mogelijk te komen vanaf een trampoline, ik draai mijn hand er niet voor om. Want in mijn droom zijn mijn zenuwbanen niet kapot, heb ik geen spierziekte en kent mijn lichaam dan ook geen beperkingen. In mijn dromen maar ook in mijn nachtmerries, ben ik nooit beperkt geraakt. Kan ik zelfs ietsje meer dan ik ooit heb gekunt, omdat ik alles kan wat anderen om mij heen moeiteloos kunnen. Gedurende het ontwaken, als de realiteit inzinkt, slaat de teleurstelling dan ook meestal genadeloos toe. Voelt het allemaal een paar seconden heel oneerlijk verdrietig en verlang ik terug naar de wereld waarin ik gezond ben.

Toen ik net lag te slapen omdat ik overdag even moet slapen (lees: mijn lichaam de kans moet krijgen te herstellen), droomde ik dat ik even had liggen slapen omdat ik overdag nu eenmaal even moet slapen. Ik droomde ook dat ik wakker werd omdat ik mijn man hoorde roepen. Toen ik hem wilde gaan zoeken, had ik moeite met opstaan. Nadat ik de salontafel had gebruikt om rechtop te komen, liep ik wankel de eerste meters. Op alle andere meubels op mijn pad leunend tot mijn spieren voldoende warm gedraaid waren om me weer redelijk te kunnen dragen. Ik voelde tintelende zenuwbanen en gevoelsstoornissen in mijn benen tot net boven de knie, stijve handen en iets gezwollen vingers. In een trappenhuis aangekomen, zag ik wasgoed op de vloer liggen. Om het op te rapen plaatste ik mijn voeten zo ver mogelijk van elkaar en met een hand op de reling om niet om te vallen, kon ik met mijn andere hand net bij de was. Ik probeerde het even over de reling te hangen maar het gleedt eroverheen en viel door het trappenhuis heen naar beneden. “Kut” dacht ik, omdat naar beneden gaan veel moeite en energie zou kosten. Ineens merkte ik dat een vrouw naar me stond te kijken, alsof ze het sneu voor me vond. Ik voelde het beetje gene die ik altijd voel, wetende dat ik nogal raar oog als ik probeer iets op te rapen van de grond. Dat was trouwens niet nodig, zodra ze door had dat ik maar krakkemikkig ben, rende ze met weinig goede bedoelingen ons appartement binnen. Ik schrok wakker in de realisatie dat ik haar niet achterna kon rennen.

Toegegeven, het was een beetje vreemde droom. We wonen al twee en half jaar niet meer in een appartement en waarom zouden we onze was te drogen hangen op de reling in het trappenhuis? En als rasechte Amsterdamse ben ik veel te wantrouwend om de deur niet achter me dicht te doen als ik naar buiten zou zwalken. Maar goed, dat doet er ook niet toe. Wat er wel toe doet is dat ik voor het eerst in mijn leven ‘gewoon’ wakker werd. Zonder teleurstelling of vage boosheid. In deze droom was mijn lichaam en hoe ik de dingen doe exact gelijk aan de realiteit! Misschien klinkt het u weinig gezellig in de oren maar ik ben er blij mee.

Zou de acceptatie van wat ik mankeer eindelijk mijn onderbewustzijn hebben bereikt?

Dit is ADHD ook

Besluiten dat dit weblog maar eens van een responsive theme voorzien moet worden, zodat mijn geneuzel ook op de telefoon leesbaar is zonder zoomen en scrollen. Of eigenlijk meer omdat het kan, dus het moet. Denken dat ik dat in een, hóóguit twee avondjes wel voor elkaar kan krijgen. Na twee dagen merken dat ik er nog geen snars van begrijp. Me het schompes zoeken naar een bestaand theme wat ik een beetje aan kan passen. Nergens kunnen vinden wat ik denk te willen en elke nacht op mijzelf tieren dat ik niet kan programmeren. Dan een poging doen iets te breien van drie verschillende themes. Geen letter meer kunnen schrijven omdat éérst het nieuwe theme af moet zijn, zo werkt dat nu eenmaal in mijn hoofd. Uiteindelijk ergens op uit komen maar voor dat het helemaal af is, me af vragen of ik eigenlijk wel écht een ander theme wil of alles gewoon bij het oude zal laten. Zolang maar het lettertype in mijn huidige theme vergroten in de hoop dat het dan vast ook leesbaar is op de telefoon, dit knullige stukje schrijven en de hele handel opzij gooien.

Note-to-self: eerst bedenken wat ik wil en me er dan op storten, niet andersom!

 

Rollend door het Rijks

U steekt een peuk op, wordt wakker, denkt ‘shit, dat is verkeerd om’ en besluit dat u zin heeft om naar het Rijksmuseum te gaan. U heeft ook een spierziekte en hoewel u wel stukjes kan lopen, gaan na tweehonderd meter uw knieën klapperen en uw tenen kriebelen.  Door dat beetje lopen werd een elektrische rolstoel via de WMO afgewezen. Maar om toch uw zelfstandigheid zoveel mogelijk te behouden, heeft u een scootmobiel toegewezen gekregen. De eigen bijdrage is fors – eigenlijk is het een afbetalen van een hulpmiddel wat niet van u wordt – maar dat geeft niets, u krijgt er tenslotte veel vrijheid voor terug. Er zit wel een kink in de kabel. Hoewel de gemeente beweert dat de scootmobiel bruikbaar is voor bijvoorbeeld museumbezoek, las u vorige week in de krant dat scootmobielen niet toegelaten worden in het Rijksmuseum.

Optimist als u bent is dat echter ende vanzelfsprekend geen probleem maar een uitdaging. En het Rijksmuseum biedt een prachtig alternatief, er kan een transportrolstoel geleend worden. Omdat een rolstoel duwen bijna werken is en gezelligheid wel degelijk tijd kent, mag de begeleider zomaar gratis naar binnen! Het enige wat u hoeft te doen, is iemand opduikelen die deze keer met u mee wil. U bent het zonnetje in huis – wie wil er nu niet met zo iemand mee – en slaat enthousiast aan het bellen.

Tien maal krijgt u direct een antwoordapparaat aan de lijn, zes keer hebben mensen het druk, druk, druk. Maar u heeft geluk. De zeventiende in rij is werkeloos en heeft wel zin in een gratis uitje. Kunt u meteen een beetje bijkletsen, hardstikke gezellig. Uw kennis past niet achterop dus zal zij met de tram gaan en u spreekt af haar bij de ingang van het Rijksmuseum te ontmoeten.

Eenmaal daar zoekt u de best ogende stoel uit en staat niets een leuke dag meer in de weg. Nou ja, in de hal ontstaat enige discussie. U wil dolgraag de prachtige poppenhuizen in het museum bewonderen maar uw kennis vindt daar niets aan, zij wil liever in een keer door naar de kledingdracht van vroeger. Omdat zij zo lief is u door het museum te rollen, geeft u galant toe en wordt het de kledingdracht. De rolstoel wijkt een beetje af naar links waardoor uw kennis het ook niet kan helpen dat ze de rolstoel tegen zoveel enkels aan rijdt. Dat zij overal ellenlang blijft staan kijken, zegt u ook maar niets van. Wel vervelend dat ze u iedere keer met uw neus tegen de vitrines aan duwt om over uw hoofd de stukken te bewonderen. En dat u niet kan verstaan wat ze zegt, u wil ook niet steeds vragen of ze even wil bukken. Uw benen raken enigszins en afgekneld – de zitting is niet bedoeld voor langdurig gebruik blijkbaar – en uw rug begint wat te klagen. U bijt maar even op uw tanden, hierna zijn de poppenhuizen aan de beurt.

Al heeft u haar alle tijd gegeven te zien wat zij wilde zien, zij laat duidelijk merken geen flikker te vinden aan pieterpeuterige poppenhuizen. Niet dat ze dat zegt hoor, zo is het ook weer niet. Maar ze verrijdt u wel erg snel van het ene naar het andere pronkstuk, u heeft ze allemaal net niet goed kunnen bekijken eigenlijk. En ze zucht en steun erg veel. Hoewel, dat kan ook komen omdat het duwen erg zwaar begint te worden. Als ze naar het toilet moet, laat ze u even bij een bezemkast achter. “Niet weglopen hoor” grapt ze nog leuk. U wordt daar een kwartier lang door elke bezoeker aangestaard alsof u een museumstuk bent maar dat mag de pret niet drukken.

Nog wel even lachen in het cafetaria als ze de afstand tussen rolstoel en tafel verkeerd inschat waardoor het vel van uw knokkels onder het tafelblad geplakt achterblijft. Meteen een fotootje maken van de vrolijk verkleurde vingers om op facebook te posten, zelfspot is heel belangrijk voor een gehandicapte man als u. Wel jammer dat ze bij het zitten merkt hoe vermoeiend het duwen van de rolstoel is geweest. U verontschuldigd zich knipogend voor uw lovehandles maar het mag niet baten, na koffie met appeltaart besluit ze plotseling dat het wel genoeg is geweest voor vandaag. Nou ja, die schilderijen moeten dan maar wachten tot de volgende keer. Misschien wil ze dan weer mee, het is tenslotte gratis. Uw kennis doet wat vaag over afspraken de komende tijd. U vermoed zomaar dat u haar een tijdje niet meer zal zien.

 

Gewoon maar zien …

In verschillende bewoordingen is hetzelfde voornemen ontzettend vaak hier langs gekomen. Ik zou ellende van afgelopen jaren achter me gaan laten, op zoek gaan naar geluk, gaan genieten van het leven of toch minstens in rustiger vaarwater geraken en daar tevredenheid in vinden. De laatste keer dat ik misere wilde afsluiten om vol te gaan voor het grote of kleine geluk, was ruim twee maanden geleden, toen ik terug had gebladerd om vooruit te komen. En op die negen januari dit jaar was ik écht volkomen overtuigd: nu heb ik het ergste wel meegemaakt en kan het hooguit de goede kant op. Alleen die gedachte maakte al enigszins vrolijk.

Nog geen twee weken later maakten een echo in hel, een tumor in mijn lever en voorspellingen van verdoemenis rigoureus een einde aan elk greintje optimisme wat ik met moeite bij elkaar had geschraapt.  Wat volgde was alleen nog verdriet en een alles verterende angst. Angst dat ik me door twaalf jaar ellende, intense trauma therapie en vijf maanden revalidatie had heen gewerkt om nu kloterig dood te gaan. Maar nog erger de angst dat als het ziekenhuis gelijk zou krijgen en de tumor kwaadaardig zou zijn, ik mezelf met geen mogelijkheid door welke behandeling dan ook zou weten te slepen. Niet dat ik dood wilde, absoluut niet. Maar in mij was geen enkele rek meer te bekennen om ook maar een stevige regenbui te doorstaan, laat staan het wegkrijgen van een tumor.

Gelukkig siert een koppige eigenwijsheid mijn karakter, hielp woede over hoe een en ander in het ziekenhuis was verlopen een extra handje mee en bleek mijn automatische piloot nog in strijdvaardige modus te staan. En meer nog wilde ik mijn man die me omringde met liefde, niet al in de steek laten. Dus bleef ik tussen paniekaanvallen, depressies en huilbuien zoeken naar gunstige berichten, goede vooruitzichten en snellere plus betere artsen. Veertien slopende dagen later kwam er goed nieuws, weliswaar waren er nu drie tumoren te zien maar was de hele handel tevens goedaardig. Het wil niet zeggen dat ik niet nog behandeld zal moeten worden of zelfs dat een behandeling niet erg ingrijpend zou kunnen zijn maar het deed er niet toe. Als je min of meer verteld is dat je snel dood zal gaan, is dit werkelijk fantastisch nieuws.

Aanvankelijk raakte ik in een soort extase over mijn leven. Elk spoortje depressie verdwenen en genietend van de miniemste dingen was ik nog nooit zo instant gelukkig geweest. Ergens had ik de gedachte dat de schrik en ellende deze keer een erg groot voordeel hadden gehad, ik zou met een roze bril op verder door het leven vliegen op even zo roze wolken. Zelfs toen mijn hormonen de boel op stelten besloten te zetten alsof ik drie dubbel in de overgang was beland, bleef het geluksgevoel aanwezig. Om noooooit meer te verdwijnen.

Dacht ik.

Toen.

Langzaam is het normale leven van alle dag toch weer binnen gesijpeld. Zijn herinneringen weer terug uit hun schuilplaats gekropen. Merk ik dat ik een aardige duw heb gekregen van alle stress en hormoonstormen. Voel ik dat ik toch wat tijd moet nemen om weer bij te komen en op te krabbelen. En is de realisatie terug gekeerd dat alles nu eenmaal kan gebeuren. Dat de wereld op elke seconde van de dag onder je voeten uit kan verdwijnen, omdat het leven niet eerlijk maar totaal willekeurig is.

Gelukkig is het geluksgevoel hiermee niet geheel verdwenen en ik probeer dat ook bewust een klein beetje vast te houden. Maar verder dan dat durf ik niet te gaan. Stiekem is er angst ontstaan dat als ik me voor neem gelukkig te worden, de wereld in brokstukken op mijn hoofd zal landen. Ik geloof niet in het lot maar durf het toch niet meer te tarten voor je weet nooit. Dus.

Geen zoektocht meer voor mij, ik zie wel gewoon wat de dag me brengt.

 

Verkeerde Mol gekozen

Je kan je maar onsterfelijk belachelijk maken. Acht afleveringen verdacht ik Paulien. Wat zeg ik? Ik verdacht haar niet alleen, ik wist het gewoon zeker! Dus was Kees natuurlijk de Mol. U had het kunnen weten, dat ik het verkeerd zou hebben bedoel ik. Want al weet ik aan het begin van menig film of serie meteen wie wat gedaan heeft en soms ook nog waarom, heb ik nog nooit de Mol tussen de kandidaten kunnen ontdekken.

Toch. Normaal gesproken moest ik zo’n beetje elke aflevering een andere Mol kiezen, de volgorde van verdenking was doorgaans tevens de volgorde van vertrek. Er zit dus wel enige verbetering in mijn gepuzzel.

Volgend jaar een nieuwe kans ..

 

 

 

Wie is de Mol?

Het moge duidelijk zijn, PAULIEN is de Mol!!!

Na mijn vergissing dat Joep van Deudekom de Mol zou zijn (maar de tweede aflevering al moest vertrekken), verdenk ik Paulien. Aanvankelijk omdat Joep iedereen verdacht behalve Paulien, omdat ze niet zo opviel in de groep waar ze normaal behoorlijk aanwezig is en het zo ook niet opviel dat ze onopvallend geen geld binnen bracht. En omdat ik fan van haar ben, dat ook. Later leek er meer in haar richting te wijzen. Hoewel ik moet toegeven dat hetzelfde van andere kandidaten te zeggen was, er wordt vrij lustig geknipt en geplakt op de redactie van ‘Wie is de Mol?‘.

Aflevering acht en negen vlogen de verwijzingen ons echter om de oren en kan het niet anders of ik heb voor het eerst in alle seizoenen van de Mol, vrij vroeg de goede Mol uitgekozen. Volgende week zullen we weten of ik het bij het juiste eind heb of dat u mij van harte uit kunt lachen.

Wat denkt u, is het Paulien of toch Kees?

 

Psje: Velen denken dat Kees de mol is, vanwege de cijferreeks die Paulien in de trein ter hint kreeg. Maar Paulien beantwoordde de vraag om deze hint te krijgen, fout. Dus kreeg ze een waardeloze hint die ons wijs wil maken dat Kees de Mol zou zijn. Ergo, Paulien is de Mol!

 

Het mysterie van de bomenkap

Het stond als een paal boven water. Bewoners van huizen vlakbij het park hadden geklaagd over de vele bomen die het zicht vanuit huis het park in belemmerde. Zo konden zij de vandalen en ander gespuis niet zien, daar werd het park mee overspoeld (als ik even niet keek dan). Dus had de gemeente besloten allerlei bomen te kappen. We vonden het massaal zonde en ik kreeg instant de pest aan de bewoners waar het om zou gaan.

Het was heel zeker. De nieuw gebouwde school kan leerlingen niet beletten in de vrije uurtjes in het park rond te hangen. Door de vele bomen had niemand zicht op deze leerlingen en wat die allemaal uit kunnen vreten in zo’n park (voornamelijk onschuldig vrijen in de bosjes overigens). Dus had de school geëist dat er bomen verwijderd zouden worden. Op die manier krijgen bewoners meer zicht op het park en dus op ronddolende leerlingen, opdat zij de school kunnen inlichten. We vonden het allemaal volkomen bezopen en ineens vond ik het een verschrikking dat de school daar was geplaatst.

Het was toch echt heus waar. De gemeente bezuinigt fiks op de groenvoorziening, zoals we afgelopen jaar duidelijk konden merken aan dichtgegroeide wandelpaden. En wat is nu makkelijker te onderhouden groen dan geen groen. Vandaar dat de bomen worden gekapt. Nu waren we met zijn allen toch wel helemaal kwaad. Groen wat moet wijken voor laksheid van de gemeente, stelletje klote ambtenaren!

Wel vreemd, in verschillende bestemmingsplannen kon ik alleen terug vinden dat er nog meer groen zou komen dan er al is. En de kap verloopt ook wat vreemd, er worden bomen gekapt maar nog meer bomen blijven staan. Dat oogt niet zo mooi, enkele kale plekken hier en daar, en we kregen niet bedacht wat voor plan daar dan achter moest zitten. Er leek ook nogal haast gemaakt te worden, in de vrieskou stonden mannen klappertandend bomen te rooien. Misschien door de crisis?

Enfin, de werkelijke verklaring voor dit alles bleek in februari al in de krant te hebben gestaan. Het heeft niets te maken met rottige vandalen, vreemde schoolbesturen, klikkende bewoners of een belachelijke gemeente ambtenaar of twee. Het heeft alles te maken met zieke paardenkastanjebomen en bomen die elkaar verdrukken. Kortom, er wordt gekapt omdat het moet, zodat we geen takken of hele bomen op ons hoofd krijgen. En de haast? Die is nodig omdat men de bomen weg wil hebben vóór 15 maart, de start van het broedseizoen.

Ik moet toch eens wat doen aan die goedgelovigheid van mij…

 

Op zoek naar geluk. Ofzo

Omdat ik dacht dat Google vast wel zou weten waar ik geluk kan vinden, typte ik op goed geluk in ‘op zoek naar geluk’. Maar Google zoekt geluk op vreemde plekken. Onder “Zoekopdrachten gerelateerd aan op zoek naar geluk” staat de optie:

Toch betwijfel ik enigszins of hij me kan vertellen waar ik geluk kan vinden.

Hebt u wel eens bewust gezocht naar geluk? En zo ja, heeft u het gevonden?